about Sebastopol Nederlands


Sebastopol – Bio “Sebastopolis” & “The Journey”


Sebastopol. Uit het Griekse Sevastos polis: Eerbiedwaardige stad. Marc Debroey, éminence met behoud van haarkleur van de nationale pop, had bezwaarlijk een betere naam kunnen kiezen voor zijn nieuwe muzikale project.

De voorgeschiedenis is in dat opzicht even idiosyncratisch als revelerend.

Ook in de schaduw van Sint-Truidense fruitbomen wordt de soundtrack in het hoofd van de jonge zanger/muzikant Marc Debroey in de vroege jaren tachtig grotendeels beheerst door punk (al dan niet post) en schemerdonkere synthesizers: met het punkrock groepje Indicators, dat al de kern van het latere Fats Garden bevat, brengt hij twee singles uit, en samen met Erik Van Breugel levert hij in 1985 onder de naam 7 A Nou het minimalistische nummer ‘Victims’ voor de EP “Mister President’s Breakfast”, een cultsingle waarvoor je vandaag een bescheiden fortuin neertelt.

Het palet zou echter snel uitgebreid worden: met zijn nieuwe groep Fats Garden, die in 1988 ook de finale van de Rock Rally bereikt, toont Debroey zich voor het eerst als Stem. Met hoofdletter, jawel. De LP’s “Buried In Eden” en “Tree”, beide op het prestigieuze label Les Disques Du Crépuscule, laten in 1990 een groep horen die moeilijk te plaatsen is in een louter Belgisch raamwerk. Meer voor de hand liggende ijkpunten zijn de droompop van David Sylvian, Tears For Fears en The Blue Nile of de meditatieve romantiek van Blaine L. Reininger. De waardering is groot, maar de verkoopcijfers klein. De kater: fors.

Wonden likken en de rug rechten gebeurt met behulp van het nieuwe alter ego Burt Vegas & Combo, een soort Liberace annex Bonzo Dog Band die live zijn gelijke niet kent, noch wil kennen. Het gezelschap verzorgt honderden optredens, van prettig gestoorde communiefeesten tot afgeladen zalen en festivals met 5.000 uit hun dak gaande toeschouwers. Er wordt behoorlijk wat afgelachen en héél goede muziek gemaakt, maar uiteindelijk stopt ook dit verhaal. Marc Debroey lijkt, op zijn dertigste, zijn koers gereden te hebben. Aan het muzikale traject, dat ooit in het kerkkoor en op suspecte free podiums begon, en nadien richting kreeg met Fat’s Garden, duizend mondmuziekgastoptredens in de legendarische Leuvense bluesclub Seven Oaks en Burt Vegas, komt abrupt een einde. De reden: “Seen that, done that, over and out.”

Niettemin blijft muziek het leven van Marc Debroey beheersen, zij het dan in een andere rol: in 1989 was hij aan de slag gegaan in het magazijn van [PIAS]. Vandaag is hij er sales director, maar wat belangrijker is: hij is steeds deel blijven uitmaken van een wereld waarin creativiteit en durven springen ordewoorden zijn. En waar een goedaardig Peter Pan-complex niet noodzakelijk problematisch is.

Bijgevolg kruipt het bloed waar het niet gaan kan. En is er, in 2005, een nieuwe vlag – Mauk – én een nieuwe lp, “A Soundtrack From The Last Few Decades”. Het is een plaat waarop Mauk from Kessel Lew een aantal persoonlijke trauma’s van zich afschrijft en tegelijkertijd de kunst der zelfrelativering naar nieuwe hoogtes stuwt. Dat levert ondermeer volgende reactie op: “Fugitive Of A Very Special Kind” – dat even verderop nog eens door een stonede Philly-mangel wordt gehaald – is een wereldsong, point final. Mauk beschikt bovendien over een gouden strottenhoofd, en daarmee tilt hij zondermeer degelijke songs toch naar een niveau waar extra zuurstofflessen een goed idee zijn.” (soundslike.be).

En dan: opnieuw tien jaar stilte. De creativiteit blijft wel, maar vindt voortaan vooral een uitlaatklep in die andere passie, de fotografie. Analoog, op 35mm pellicule. Dat is belangrijk. Net als het gebruik van de juiste toestellen: van een Olympus Mju-II tot Nikon F toestellen. Muziek blijft – professioneel en als melomaan – belangrijk, maar de drang om te creëren en uit te voeren lijkt weggeëbd.

Tot nu. Tot Sebastopol. Een nieuwe State of the union, die zich alweer weinig gelegen laat aan de muzikale waan van de dag, maar alles aan de reis én de bestemming.

Het oorspronkelijke idee om een volledig instrumentale plaat te maken wordt – gelukkig –snel herkend als een geval van licht onder de korenmaat. Uiteindelijk zijn het de nummers zélf die de keuze zang/geen zang maken. En wordt het meteen duidelijk dat de uitgave een tweeluik moet zijn: een vinylversie (“The Journey”) met enkel instrumentale stukken en een cd-versie (“Sebastopolis”) met vooral gezongen nummers. Reis én bestemming.

Een reis on a gravel road, overigens: tijdens het schrijven en maken van “Sebastopolis” verliest Marc Debroey een slordige 100 kg. Een beproeving, hoe je het ook draait of keert. Maar het schrijven en zingen helpt. “Forgotten Memories” – het eerste nummer van de plaat dat wordt ingezongen – is in dat opzicht een banbreker.

Bij het schrijven, intussen, geldt maar één regel: “Schrijven met een thesaurus, om toch maar met woorden op de proppen te komen die niemand kent: neen. Wél: zeggen wat je wilt uitdrukken met de woordenschat die je hebt. Als dat hier en daar naïef overkomt: goed zo.”

Niettemin heeft elk nummer een bewust thema, ook de instrumentale.
Nummers als “Water Flows upstream, Salmon”, met het schijnbaar emotieloze relaas over zalmen die na het paaien ten dode zijn opgeschreven, “Bing’s Island”, over het Utopia (of Nirvana?) waarnaar we allemaal op zoek zijn, of “Pioneers”, over de eerste immigratiestroom naar het Amerikaanse continent en de vaak ongelijke strijd met de natuurelementen: stuk voor stuk zijn het eenvoudige verhalen die toch facetten van de condition humaine beschrijven. Met alweer de reis als leidmotief. Naar “Stavanger”. Of “Harbourville”. Noordelijke oorden, havens met ijskoud water maar warme houten gebouwen waar het mythische paard, dat toevallig ook naar de naam Sebastopol luistert, briesend en snuivend de tocht op het land verderzet. Op zoek naar naïef geluk, zoals in “Unser Land” of de herbeleving van een onschuldige eerste verliefdheid en het samen ervaren van een jubelende zonsopgang in “Juste Avant L’aube”. Het leven, quoi.


Over het SEBASTOPOL geluid: Stiff Studio & Jerboa


“Sebastopolis” en “The Journey” werden volledig opgenomen in Debroeys home studio, bewerkt en gemixt in de Stiff studio van Staf Verbeeck en gemastered bij Jerboa, door Frederik Dejongh. De uiteindelijke opdracht was even eenvoudig als complex: de analoge elektronische klanken, akoestische instrumenten – vooral viool en gitaar – en stemmen moesten mooi op elkaar ingrijpen zonder de eigen natuurlijke klank te verliezen. De interactie tussen de digitale en analoge componenten in de opnamecyclus was dus bijzonder belangrijk. Om dat te bereiken werd een op maat gemaakt proces gehanteerd…

De analoge MIDI synth-chain van Sebastopol werd gedigitaliseerd naar 24 bit HD-tracks, en zo aan de hybride Stiff mixstudio geleverd. Hier werden alle tracks analoog bewerkt met FET, VCA- en buizencompressors, analoge delays en vintage plate reverbs.

De resulterende stereomix werd via 2 analoge EMI-compressors (RS124, die ook in Abbey Road studio’s werden gebruikt) en een analoge stereo EQ (NTI EQ2) opgenomen op een vintage analoge tape-recorder. (Ampex ATR100)

Dit analoge signaal werd dan via een BURL convertor (volgens Jack White’s engineer de meest analoog klinkende convertor die je vandaag kan vinden) terug omgezet naar digitale 24 bit-tracks, klaar om gemastered te worden.

Het masteren gebeurde door Frederik Dejongh bij Jerboa Mastering, die resoluut koos voor de tape versies na de BURL conversie in plaats van de 24bit Wav files en er een vol, warm en inkapselend eindresultaat van maakte.